Freinetschool "De Perreparel"

Visie

 

 

Waarom kiest de Perreparel voor Freinetonderwijs?

 

1/ De ERVARINGEN EN BELEVINGEN VAN DE KINDEREN staan centraal.

‘Leren’ kan je op vele manieren. Bijna alle volwassenen (wij ook) leerden via een volgend onderwijssysteem. De leerkracht zette de lijnen uit, de kinderen moesten volgen. De leerkracht was de spilfiguur om wie alles draaide. Leerboeken werden erbij gehaald om dit leerproces te begeleiden. Een goede leraar kauwde voor. De flinke leerling slikte gewillig. Dat de teksten en opdrachten dikwijls veraf stonden van de leefwereld en interesses van de kinderen, was daarbij geen punt. Veel energie ging uit van de leerkracht. De les werd tot in de puntjes voorbereid en gebracht in goede, door de leerkracht overdachte, didactische stappen.
In De Perreparel kiezen we nu consequent voor ontwikkelingsgericht onderwijs. Dat is ‘levend’ leren. Leren is voor ons een actief en ervaringsgericht proces. De ervaringen en belevingen van de kinderen zijn hét uitgangspunt. Omdat we kleinschalig werken, creëren we de mogelijkheid voor een onderwijs op maat van het kind. Het kind bepaalt dus waarmee het wenst bezig te zijn, alleen of samen met anderen. De eigen interesse is de motor van het leren. Het kind wordt uitgedaagd om die motor aan te zwengelen en de horizon te verruimen. Dat kan op eigen tempo in een niet-competitieve sfeer.

 

2/ ZELFONTDEKKEND LEREN en mogen EXPERIMENTEREN in een BETEKENISVOLLE CONTEXT.

Leren in een Freinetschool is dus niet louter opnemen van wat door anderen werd bedacht. Het is veel meer een ‘op zoek gaan’ vanuit concrete problemen of interessepunten. Het is een zoeken naar échte antwoorden op échte vragen. Dat die antwoorden niet steeds binnen de school te vinden zijn, is wel duidelijk. Daarom gaan we regelmatig op uitstap. Zo komen de kinderen veelvuldig in contact met de grote wereld, het echte leven.
Naast het resultaat van zo’n zoektocht, hechten we veel belang aan de wijze waarop dat resultaat werd bereikt. De leerkracht is daarbij de aandachtige observator en stimulator van de kinderen. Hij bevestigt de kinderen in hun sterke kanten. Hij ondersteunt hen in hun leerpunten. Eigenlijk gaat hij op zoek naar de parels die in elk kind aanwezig zijn.
We leren dus niet zo maar wat. Er wordt overwegend geleerd ‘in functie van’. Bijvoorbeeld: er is een leeruitstap gepland, maar daarvoor is het nodig om een interview voor te bereiden en zich allerlei begrippen eigen te maken om dat ook zinvol te doen.  Of er moet een brief geschreven worden, een e-mail verzonden, een telefoontje gedaan,…

 

3/ De kinderen en de leraar zorgen er samen voor dat er ZINVOL geleerd wordt.

Kinderen zijn geen eilanden. Ze leren via anderen. Vooral via andere kinderen. Daarom scheppen we veelvuldig kansen tot samenwerking en gesprek. We moedigen de kinderen aan om meningen uit te wisselen, elkaar te bevragen, samen iets op te zetten. Het valt daarbij op hoe ondersteunend kinderen voor elkaar kunnen zijn.
Het werken met groepen van verschillende leeftijden is dan ook een bewuste keuze. De jongsten leren hulp vragen en accepteren. De oudsten leren hulp bieden, leren verwoorden. Bij het doorschuiven van de klassen komen de kinderen dan telkens weer in een andere rol te zitten. Het ene jaar zijn zij bij de jongsten, het volgende jaar bij de oudsten.
In onze school moeten de kinderen voortdurend keuzes maken, hun eigen-zinnigheid ontdekken. Ze moeten zich bewust afvragen: wat wil ik nu eigenlijk doen? En vooral: wat zijn de consequenties van mijn keuze? Die consequenties nemen we zeer serieus en kinderen worden hier echt wel op aangesproken door elkaar of door de leerkracht. Want hoe klein ook, een kind heeft zijn verantwoordelijkheid op te nemen voor de eigen keuze. Er is veel vrijheid en vertrouwen, maar niet zonder verantwoordelijkheid. Ook voor een “neen” moet men verantwoording afleggen. Kan je bijvoorbeeld tijdens een spel plots niet meer mee willen doen en daardoor alles lam leggen? Samen met alle betrokkenen antwoorden zoeken op zulke fundamentele vragen vergroot de zelfkennis, het inleefvermogen en het verantwoordelijkheidsgevoel.

Naast de grote aandacht voor het samen-leren en samen-leven hechten we in de Perreparel veel belang aan het vergroten van de zelfstandigheid van de kinderen. Sommige kinderen hebben weinig moeite om zelfstandig te leren werken. Anderen daarentegen hebben lange tijd steun van de ouders en de leerkrachten nodig. In de Perreparel worden kinderen hier zeer bewust en al vroeg in gestimuleerd.
Het leren plannen is hierbij een belangrijk aspect. De kinderen dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun werk en hun taken. Er is vanzelfsprekend veel klaswerk, maar ook zijn er opdrachten die thuis worden afgewerkt.
Naast hun eigen werk plannen de kinderen ook nog het verloop van de projecten. Kinderen leren dan samenwerken en afspraken maken naar een gezamenlijk doel toe, maar tevens moeten zij hun deeltaak opnemen om het ganse project tot een goed einde te brengen.

 

4/ DEMOCRATISCH SAMEN leven en leren.

In de Perreparel zijn alle betrokkenen gelijkwaardig. De leerkrachten worden niet met “juf” of “meester” aangesproken, maar net als de kinderen bij de voornaam genoemd. Deze gedachtengang wordt verder doorgetrokken naar het zelf sturen van het eigen leerproces, het samen opstellen van de regels en afspraken die gelden in de klas, op de school,… De leerkracht fungeert daarbij niet als de ‘leider’, maar heeft veeleer een begeleidende rol. Wij gaan er trouwens van uit dat ook wij als volwassenen heel veel van de kinderen kunnen leren.
Met gelijkwaardigheid bedoelen we ook dat we positief pluralistische school zijn. Wij maken geen onderscheid tussen ras, geslacht, godsdienst, huidskleur,… Meer nog, we stellen ons open om de verschillen tussen mensen te willen leren kennen, te waarderen en als rijkdom te ervaren.

In de klas- en schoolraad krijgen de kinderen een stem die ernstig wordt genomen. Kinderen bepalen mee hoe het samenleven op de school best verloopt. Zij doen voorstellen en werken ideeën uit, bijvoorbeeld over de orde en de netheid op de speelplaats, over het spelen tijdens de speeltijden, over het samen eten in de refter,... Zij komen tot regels en afspraken die indien nodig in overleg worden bijgestuurd. Zo groeit een democratisch besef en het gevoel dat mensen samen iets kunnen bereiken en iets betekenen voor elkaar. In zo’n schoolconcept moeten kinderen voortdurend de afweging maken tussen persoonlijke noden en de behoeften van de grote groep. Wij denken dat deze ervaringen de kinderen sterken om ook buiten de school verdraagzaam, maar weerbaar en kritisch in de wereld te staan.

Ons opvoedingsproject krijgt meer kansen als ouders deze lijn doortrekken in hun eigen leven met de kinderen. Het is daarom van groot belang dat ouders weten wat er op de school gebeurt en waarom de dingen er zo lopen. Elke ouder krijgt kansen om zich te engageren voor en te participeren aan het schoolleven. Wij maken daar ruimte voor.

En de leerkrachten? Zij dragen samen met de directeur en gesteund door het schoolbestuur de eindverantwoordelijkheid voor het pedagogisch-didactische luik. Zij sturen hun handelen steeds bij vanuit de opgedane ervaringen en gevolgde nascholing. Graag toetsen zij hun inzichten en vernieuwde aanpak. De kinderen, maar ook de ouders zijn daarvoor het klankbord bij uitstek, zodat echt wel samen school wordt gemaakt.


5/ Veel aandacht voor EEN BREDE ONTWIKKELING.

De ontwikkeling van een kind kent vele facetten. De grote lijnen die we onderscheiden zijn kennis, creativiteit, sociale en emotionele vaardigheden en praktische inzichten. Deze verschillende ontwikkelingsdomeinen wensen we in de Perreparel evenwaardig te stimuleren. In de praktijk komt het erop neer dat de klassieke invulling van het schoolse leren (taal – wiskunde – allerlei feitenkennis) herdacht wordt om consequent te kiezen voor een totaalaanpak. Het leren rekenen, lezen en schrijven leunt nog het meest aan bij wat in andere scholen gebeurt. Maar verder is er veel ruimte om via allerlei projecten een beklijvend leerproces op te zetten.
We willen af van het idee dat je de capaciteiten van een kind vooral meet aan wat het feitelijk kent. Sociale en emotionele vaardigheden en het creatief zoeken naar oplossingen voor zich stellende problemen en uitdagingen, zullen het kind in zijn verdere leven waar dan ook blijven ondersteunen. Op het gebied van het schoolse leren worden zo strategieën ontwikkeld die het kind zich écht eigen maakt en die het in andere, nieuwe situaties ook kan toepassen.
De leerkracht treedt hierbij op als begeleider van het leerproces. Hij is de aandachtige observator en plaatst voortdurend de ervaringen van de kinderen in een ruimer kader, waardoor ze dieper doordringen. Hij daagt de kinderen veelvuldig uit om zich te uiten: schrijven, vertellen, tekenen, schilderen, knutselen,…
Goed om weten is dat de door de overheid opgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen ook voor onze school bindend blijven. Wie de moeite neemt om deze ontwikkelingsdoelen en eindtermen aandachtig te lezen, zal trouwens de inzichten van het Freinetonderwijs daarin makkelijk terug kunnen vinden.  Dit leidt ertoe dat elk kind op het einde van de rit klaar is om goed gewapend de overstap naar het secundair onderwijs te maken.

 

 

 

Wie was Célestin Freinet?

1/ Een levensschets…

Op 15 oktober 1896 werd Célestin Freinet geboren in het Franse Gars uit een kleine landbouwersfamilie. Hij studeert voor onderwijzer in Nice. In Bar-sur-Loup, een klein dorpje in zijn geboortestreek, wordt hij in 1919 benoemd als onderwijzer. Nu hij effectief voor de klas staat, ontdekt hij dat veel van wat hij tijdens zijn opleiding heeft geleerd niet blijkt te werken. Zijn leerlingen zijn niet gemotiveerd en onverschillig. In zijn klas vindt Freinet ook erg weinig leermateriaal. Hij merkt wel dat de kinderen vooral geboeid zijn door dingen die buiten de klas gebeuren. Naar school gaan vinden ze vervelend.
Célestin Freinet doet dan aan zijn leerlingen het volgende voorstel: “Als we de klasdeur eens achter ons dicht doen en de wereld gaan verkennen, te beginnen hier in de buurt?”. Daar waren zijn leerlingen direct voor te vinden.
Sinds die dag trekken Freinet en zijn kinderen geregeld samen de natuur in en bezoeken zij bedrijfjes en mensen in het dorp. In de klas bouwt hij op deze ervaringen verder. De echte interesse is opgewekt. De leerlingen zijn gemotiveerd om er teksten over te schrijven en voeren onderzoeken en enquêtes uit om nog meer gegevens te verzamelen. Hierdoor groeien hun kennis en vaardigheden op vele terreinen.
Het wordt snel duidelijk dat de motivatie en de resultaten van de leerlingen in de klas van Freinet pijlsnel de hoogte in schieten. Freinet stelt zo vast dat het klassikale onderwijs erg ver afstaat van wat de kinderen echt bezig houdt en hij is ervan overtuigd dat veel tijd verloren gaat op de schoolbanken. “Als je de individuele ontwikkeling en de leefwereld van ieder kind centraal stelt, dan moet het onderwijs drastisch omgevormd worden”, zo meent hij. Hiertoe ontwikkelt Freinet een aantal technieken (zie verder).

Het loopt echter niet allemaal van een leien dakje voor Célestin Freinet. Zijn ideeën worden niet klakkeloos aanvaard. Hij krijgt flinke tegenwind die vele jaren aanhoudt. Maar na de oorlog, in 1945, keert het tij. De overheid erkent dat Freinetscholen betere resultaten boeken en dat de kinderen duidelijk zelfstandiger en mondiger zijn. In 1948 wordt L’ Institut Coopératif de l’ Ecole Moderne (I.C.E.M.) opgericht.

In 1966 sterft Freinet. Zijn vertrouwen in kinderen en zijn geloof in een leefbare wereld hebben veel onderwijsmensen in sterke mate geïnspireerd. Momenteel wordt het Freinetonderwijs in bijna alle landen officieel erkend en gesubsidieerd. Ook in België.
Bovendien is er wereldwijd een Freinetbeweging actief. Ouders en leerkrachten vinden er de nodige ondersteuning en ideeën om de eigen school verder uit te bouwen.

 

2/ Ver vooruit op zijn tijd!

Wanneer we de ruime hervormingen op onderwijsgebied overschouwen, kunnen we enkel vaststellen dat de ideeën en waarden van het Freinetonderwijs steeds verder doordringen in het onderwijs van vandaag.
Dat is ook duidelijk merkbaar in de Vlaamse Ontwikkelingsdoelen(1) en Eindtermen(2). Hierin vinden we een goede vertaling van het gedachtengoed van Freinet. Er wordt immers veel aandacht gevraagd voor:
- een sterke aansluiting bij de leef- en belevingswereld van kinderen;
- een inbedding van de leerstof in realistische, voor het kind betekenisvolle contexten;
- de sociale en emotionele ontwikkeling;
- voor het leren leren, het leren zoeken en verwerken van informatie;
- …
Ook het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen wint aan belang. Onderwijsdeskundigen zijn het erover eens dat kinderen veel makkelijker leren als ze zich goed voelen in de klas en als ze geboeid zijn door wat er in die klas gebeurt. Net in het Freinetonderwijs is dat het uitgangspunt. Kinderen worden uitgenodigd en gestimuleerd om hun eigen interesses kenbaar te maken en op zoek te gaan naar antwoorden op hun eigen vragen. Hoe dat loopt, hoe ze zich daarbij voelen,… daar wordt tijd voor gemaakt om het te bespreken.

 

(1)        Ontwikkelingsdoelen = minimumdoelen voor de kleuterschool op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de school bij haar leerlingen moet nastreven. De leerlingen moeten deze echter niet bereiken.
(2)        Eindtermen = minimumdoelen voor de lagere school met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de school bij alle leerlingen moet nastreven. De leerlingen moeten deze doelen bereikt hebben op het einde van de lagere school.


 

 

Freinetonderwijs in de praktijk.

 

1/ Freinettechnieken

Célestin Freinet gebruikte specifieke Freinettechnieken. Dat zijn methodieken die ervoor zorgen dat kinderen kunnen leren en leven in de geest van de eerder besproken inzichten en overtuigingen. In alle Freinetscholen zie je ze terugkomen.

 

Praatronde
In de Perreparel wordt veel besproken. De dag begint (praatronde) en eindigt (afsluitkring) ermee. En tussendoor overleggen de kinderen nog veelvuldig bij de uitwerking van hun projecten en andere taken.
Tijdens de praatronde kunnen de kinderen vrijuit vertellen over hun belevenissen, hun meegebrachte spullen of over iets wat hen bezig houdt. Heel vaak is dit gesprek een aanzet naar andere activiteiten omdat de kinderen hun eigen en elkaars interesse hebben geprikkeld. Veel vragen en opmerkingen groeien zo door tot nader onderzoek of misschien zelfs tot een klasproject.
In de afsluitkring wordt teruggeblikt. Samen staan we stil bij hoe het de voorbije dag liep. Deze reflectie is een moment van verdieping, van het vastleggen van de beleving. Naast het bekijken van WAT we gedaan hebben, is het voor ons even belangrijk het kind te laten verwoorden HOE het erbij zit. Het is een duidelijk afronden van het werk en de klasdag voor we naar huis gaan.
Omdat deze groepsgesprekken zo veelvuldig worden gehouden, oefenen we al doende de elementaire gespreksvaardigheden: een gesprek leiden (eerder minimaal bij kleuters, maar de regel bij de oudsten), het woord vragen, een luisterhouding ontwikkelen, de essentie samenvatten,…

 

Projectwerk
Als na een praatronde blijkt dat een thema, een vraag of een probleem de aandacht van alle kinderen opwekt, dan zijn we vertrokken voor een project. Het thema wordt dan verder bevraagd: WAT wil ik erover weten? Bijv. Hoeveel landen zijn er in de wereld?
WAT wil ik ook kunnen? Bijv. Een cake bakken.
WAT wil ik doen rond dit thema? Bijv. Op een paard rijden.

Zo formuleren de kinderen hun eigen doelstellingen. De mate waarin hier duidelijke antwoorden op komen, is bepalend voor het welslagen van het project. De betrokkenheid scoort dan hoog en kinderen ‘willen’.
In een volgende fase spreken we af wie wat op zich neemt en HOE we iets te weten kunnen komen, een vaardigheid kunnen leren, iets kunnen doen. Dit wordt getoetst aan de realiteit. Niet alles is mogelijk. En dat begrijpen kinderen ook wel. Opzoekingswerk in de bib of op de computer, zelf georganiseerde uitstappen, iemand uitnodigen, erover lezen, een verslag maken, een experiment opstarten, een recept begrijpen, iets in elkaar knutselen, een enquête opstellen en afnemen,... Het kan allemaal.
De duur van een project kan meerdere weken in beslag nemen. Als afsluiter worden de resultaten voorgesteld. Dat kan een tentoonstelling zijn, een toneel, een quiz, een projectboek,… Alle Perreparels mogen komen kijken, evenals de ouders, de grootouders en andere sympathisanten.

We denken zo tegemoet te komen aan het wezenskenmerk van hoe kinderen (en volwassenen) in de werkelijkheid staan. De realiteit is immers nooit opgesplitst in deelgebieden (aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkunde, verkeer, milieu, taal, wiskunde,…), maar is een geheel. Door het werken aan projecten worden kinderen uitdrukkelijk aangesproken om in hun totaliteit te functioneren. Het is DENKEN, maar zeker ook DOEN! Het ontwikkelen van allerlei vaardigheden en het aanboren van hun mogelijkheden om creatieve oplossingen te bedenken, maakt dat deze leerervaringen zeer diep doordringen. Het zijn eerder levenservaringen die men zich jaren later nog steeds herinnert.

Onnodig te zeggen dat hier ook op het vlak van de sociale en emotionele ontwikkeling vele kansen liggen. Door het samenwerken in groep worden er een aantal elementaire vaardigheden ingeoefend zoals het komen tot een taakverdeling, het vergelijken van verschillende gezichtspunten, het effectief overleggen, het gezamenlijk uitvoeren van een taak, het aanleren en ontwikkelen van belangrijke communicatieve vaardigheden. Kinderen krijgen de kans om iets te leren over hun eigen functioneren én dat van anderen. Doorheen de verschillende leefgroepen is er een evolutie merkbaar.

 

Vrije tekst
De kinderen krijgen veel vertelkansen in de Perreparel. Ze worden uitgenodigd om hun verhalen regelmatig neer te schrijven en ze te illustreren. Bij de kleuters helpt de leerkracht daarbij. Een ‘vrije tekst’ komt tot stand op een vrij moment in het klasgebeuren. Kinderen kiezen er zelf voor. Ze bepalen het onderwerp en de vorm. Ze verzamelen al hun teksten in een speciaal daarvoor bestemde schrift. Dat wordt gekoesterd, van in de kleuterklas tot lang nadat men de school verlaten heeft . Deze vrije teksten worden aan elkaar voorgelezen of doorgemaild of opgestuurd of samengebracht in bijvoorbeeld een dichtbundel van de klas. Wat geschreven wordt, dient tot iets.
Een vrije tekst bevat ook materiaal om in de klas verder mee te werken. Een mooie uitdrukking, een zeer geslaagde zinsconstructie, een opvallende rijm,… gaan niet onopgemerkt voorbij. Door hier de verdiende aandacht op te vestigen, bevestigen we enerzijds kinderen in wat ze al kunnen en inspireren we anderen om het ook zo eens te proberen.
Tot slot bieden vrije teksten zeer geschikt materiaal om het technisch schrijven van woorden verder in te oefenen. Als blijkt dat bepaalde spellingsmoeilijkheden bij meerdere kinderen nog voor problemen zorgen, dan is dat een geschikt moment om het aan te pakken. De woorden komen van de kinderen, en dat verhoogt de betrokkenheid op het leerproces.

 

Correspondentie
In de Perreparel gaan we er dus vanuit dat alles wat kinderen schrijven, door anderen gelezen wordt. Dat kunnen klasgenoten zijn, maar ook kinderen uit andere klassen of ouders.
Echt krachtig wordt het als allerlei materiaal wordt gedeeld met andere scholen. De Freinetscholen vormen trouwens een hecht netwerk voor zulke zaken. Zo kunnen persoonlijke brieven, vrije teksten, tekeningen, klaskranten, maar ook projectverslagen worden uitgewisseld, bevraagd en door anderen vervolledigd. Kinderen en leerkrachten doen zo ideeën op over elkaars school- en leefwereld en dat voedt de praktijk. Deze werkwijze schept ook banden. Als het echt klikt, kan het zelfs resulteren in een bezoek aan de correspondentieklas of in het onthalen ervan.
Het spreekt voor zich dat internet (schoolwebsite) en e-mail als hedendaagse communicatiemiddelen hier niet meer weg te denken zijn.

Corresponderen veronderstelt ‘schrijven’, maar anderzijds stimuleert het ook het lezen en worden de kinderen uitgedaagd om alles extra mooi en duidelijk te verzorgen. Bovendien worden de kinderen aangemoedigd over hun eigen situatie na te denken, een eigen mening te formuleren en om hun wereld te verruimen. De verbondenheid met anderen vergroot en wat ‘vreemd’ lijkt bij aanvang, krijgt respect en zelfs bewondering na de kennismaking.

 

2/ Een sterke organisatie van het klasleven gericht op zelfbeheer

Dag- en weekplanning
Om kinderen al jong ruimte te geven om hun eigen leren in handen te kunnen nemen, werken we met een dag- en weekplanning. In de kleuterklassen en de eerste jaren van de lagere school beperkt zich dat tot een dagplanning. Later groeit het uit tot een weekplanning of zelfs een planning over meerdere weken. In de planning voorziet de leraar enkele vaste klasmomenten (praatronde, projecttijd, instructie,…). Daarnaast is er ruimte voor de eigen invulling van het kind.

 

Vrije werktijd
In de planning laten we dus enkele gaten. Dat noemen we de vrije werktijd. Daarin kunnen de kinderen hun activiteiten vrij bepalen. Voornamelijk gaan de kinderen dan zelfstandig aan de slag (individueel of samen met anderen). Een waaier van mogelijkheden ligt dan voor hen open: doorwerken aan een oefenopdracht, taken uitvoeren, vrije teksten schrijven, vrije expressie (een toneel voorbereiden), verder werken aan een project,… De leerkracht houdt zich dan op de achtergrond, maar zorgt indien nodig vanzelfsprekend voor de nodige begeleiding.

 

3/ Veel overleg

Klasraad en schoolraad
De klasraad is een bijzondere praatronde. Dan worden regels en afspraken geformuleerd of klachten en felicitaties geuit. Kinderen kunnen er voorstellen doen ter verbetering van de klasorganisatie of de sfeer in de groep. De taken worden verdeeld.

Soms blijkt dat aangebrachte thema’s interessant zijn voor de hele school. Dat wordt dan in de klasraad voorbereid en als agendapunt op de schoolraad gebracht. Daar zitten de kinderen van alle klassen (of een afvaardiging) bij elkaar. Er wordt geluisterd naar de vragen en voorstellen en samen gezocht naar mogelijke oplossingen. Het samen-leven op de school wordt er in overleg geregeld.

 

 

 

 

Antwoorden op veel gestelde vragen ...

 

 

Is deze school een school voor kinderen met leerproblemen of gedragsproblemen? Is ze voor elk kind geschikt?

Deze vraag wordt veelvuldig gesteld. En terecht. Ouders melden zich wel eens aan bij een Freinetschool als er zich op de school waar hun kind nu gaat problemen stellen. Die problemen kunnen zeer verschillend zijn: leermoeilijkheden – motivatieproblemen – faalangst – gedragsproblemen – tuchtproblemen - … Onze school is een (wat on-)gewone basisschool maar wel voor gewone kinderen. Er zijn dus kinderen met meer en met minder mogelijkheden, net als op elke andere school. Allen krijgen ze de nodige aandacht en zorg. Maar die draagkracht is beperkt. Daarom wordt elke vraag voor inschrijving ernstig onderzocht. Wij informeren ons bij de ouders, bij de school van herkomst, bij het CLB,… Kinderen met leerproblemen kunnen dus soms wel en soms niet bij ons terecht. Dat hangt af van de bron van die problemen. Waar ze bijvoorbeeld veroorzaakt zijn doordat de aanpak in de vorige school niet aansloot bij de persoonlijkheid of de achtergrond van het kind, daar kan een Freinetaanpak wonderen doen. Waar de problemen diep uit het kind zelf voortkomen is een speciale benadering nodig, en verwijzen wij, in samenspraak met het CLB, door naar een beter geschikt onderwijstype. Er geldt dus steeds dat bij de inschrijving gekeken moet worden of de Freinetaanpak bij dit kind zal passen.

 

Mogen kinderen op onze school alles? Leidt de Ffreinetpedagogiek niet tot structuurloze kinderen?

Meer dan in andere scholen worden de kinderen betrokken bij het uitwerken van een afsprakenplan. Kinderen zijn echt wel bezorgd over het goed functioneren van de school, zeker als ze het gevoel krijgen dat hun inbreng er echt wel toe doet. Er ontstaat dan een bondgenootschap tussen kinderen en volwassenen om het samen goed te doen.
Kinderen mogen dus in de Perreparel echt niet alles. De regels en afspraken geven de krijtlijnen aan. Door het creëren van een open sfeer en in democratisch overleg bewaken kinderen en volwassenen deze grenzen. Elke deelnemer aan het schoolgebeuren heeft verantwoording af te leggen aan zichzelf en de anderen. Zo’n duidelijke organisatie die door de kinderen op alle gebieden tenvolle begrepen wordt, geeft pas dé structuur die kinderen optimaal doen functioneren. Het is een hoofdbekommernis voor het voltallige Perreparelteam!

De dagen en weken verlopen trouwens ook volgens een welbepaalde structuur. Die is terug te vinden in de dag- en weekschema’s die samen met de kinderen worden opgesteld. Taal- en wiskundeactiviteiten zijn hier veelvuldig in opgenomen en kennen een methodische aanpak. Daarnaast is er aandacht voor projectwerk, praatrondes, vrije werktijd,… Er zijn opgelegde taken, maar ook steeds ruimte voor bijkomend onderzoek of diepere inoefening.
Naarmate de kinderen ouder worden, plannen zij in grote mate hun eigen opdrachten in een weekrooster. Zo gebeurt het dat op eenzelfde moment in een klas enkele kinderen met een verschillende rekenoefening worstelen, drie anderen een projectje uitwerken, nog anderen een poppenspel voorbereiden voor de kleuters en iemand wat opzoekt in de computerencyclopedie. De leerkracht begeleidt dit gebeuren  en waakt erover dat de kinderen hun vooropgezette planning respecteren. Er wordt dus dagelijks gewerkt aan een realistische zelfinschatting. In geval van onderschatting wordt het kind aangemoedigd méér aan te pakken. In geval van overschatting wordt er afgeremd. En dit op vlak van tempo én van moeilijkheidsgraad.

 

Een freinetklas geeft een chaotische indruk. Hoe komt dat?

Wie het voorgaande aandachtig las, begrijpt nu wel dat niet alle kinderen de ganse dag netjes aan hun bankje zullen zitten. Een buitenstaander zal inderdaad vaak een rommelige indruk krijgen. Wij noemen dat ‘functionele rommeligheid’: rommel die vanuit een bepaalde doelstelling ontstaat.                Het ‘doen’ staat centraal, vandaar dat kinderen niet alleen aan hun lessenaar blijven zitten en luisteren naar wat de leerkracht aanleert. Ogenschijnlijk een rommelig gebeuren, in werkelijkheid één en al activiteit.
Deze uitspraak van Célestin Freinet ondersteunt deze aanpak: “Ik hoor en ik vergeet, ik zie en ik onthoud, ik doe en ik begrijp”.

 

Als mijn kind op eigen tempo en niveau mag werken, beheerst het dan wel alle vereiste leerstof die de leerplannen voorschrijven? Komt alle leerstof die de leerplannen voorschrijven wel spontaan uit de kinderen?

Omdat de Perreparel een school is voor gewone kinderen, verbinden wij ons ertoe om de ontwikkelingsdoelen (voor de kleuterschool) na te streven en de eindtermen (voor de lagere school) te bereiken. Trouwens aan deze maatschappelijke opdracht kan geen enkele gesubsidieerde school zich onttrekken. Ze is door de Vlaamse Gemeenschap opgelegd.
Voor de realisatie hiervan gebruiken we de leerplannen van het gemeentelijk onderwijs (OVSG -  Onderwijssecretariaat voor Steden en Gemeenten), net als alle andere gemeentelijke basisscholen in Vlaanderen. Onze inhouden zijn dus vergelijkbaar met elke andere school. Het is ‘de-manier-waarop’ we deze leerplandoelen willen bereiken die duidelijk verschilt van de traditionele aanpak. In de Perreparel heerst een sterk geloof in de mogelijkheden van het kind. Dit geloof wordt resoluut als uitgangspunt genomen en er wordt consequent naar gehandeld. Het gevolg is: gemotiveerde leerlingen die van aanpakken weten. Zij sturen hun leren vanuit hun eigen échte interesse. Er wordt hen niets aangepraat. Ze leren in de diepte. Deze rijke leerervaringen slijpen in en worden drager van een steeds groeiend zelfvertrouwen om weer nieuwe, moeilijkere levens- en leerervaringen aan te durven. De Perreparels gaan steeds feller schitteren!
We zouden zelfs meer durven zeggen. De te bereiken eindtermen en de leerplannen overstijgen de loutere kennisverwerving. Inzichten en informatieverwerking worden hoger aangeslagen dan het reproduceren van door leerkrachten en methoden voorgekauwde en voorgestructureerde feitenkennis. Vaardigheden op sociaal vlak en voor het verwerken van nieuwe inhouden tot eigen(zinnige) projecten staan boven het afdreunen en van buiten leren. Op die terreinen scoren wij. Het zijn wezenskenmerken van onze school en naadloos gelinkt aan de eindtermen en de leerplannen.

 

Freinetkinderen worden getraind in assertiviteit. Leidt dat niet tot agressiviteit? En wat met verlegen kinderen?

Jezelf op een degelijke manier kunnen uiten en verwoorden, vinden wij belangrijk. Onderweg komt het al eens voor dat de kinderen hun mening laten horen op een iets minder elegante manier. De leerkracht of andere kinderen wijzen hen hierop en proberen hen stap voor stap met hun eigen assertiviteit te leren omgaan. Je hebt kinderen die gemakkelijk naar voren treden en kinderen die liever in een hoekje zitten. In plaats van de verbaal sterken verbaal sterker te maken, zorgen wij ervoor dat zij leren wat ‘luisteren’ naar anderen is. En in plaats van de verbaal zwakkeren in een hoek te drummen, proberen wij hen het plezier en de kracht van het woord te doen ontdekken. Jezelf als mens goed voelen, heeft immers weinig te maken met hard roepen of weinig vertellen, maar alles met eigenwaarde. Elk kind heeft zijn eigen persoonlijkheid en die mag herkenbaar blijven.

 

Vraagt 'De Perreparel' niet te veel van de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van mijn kind?

Als kinderen iets gevraagd wordt dat ver boven hun mogelijkheden ligt, dan gaan ze er uit zichzelf niet op in. Iets wat ver beneden de mogelijkheden ligt, gaat echter snel vervelen. Dé leerprikkel situeert zich in wat ik nog-net-niet-kan. Wij noemen dat de zone van de naaste ontwikkeling, de zone die hun huidige ik een beetje overstijgt. Als leerkracht is het dus heel belangrijk daar oog voor te hebben.
Overleg met ouders is hier heel belangrijk. Zij kennen hun kind heel goed. Soms ook ‘anders’. Een goede communicatie tussen thuis en school zorgt ervoor dat de verdere ontwikkeling in een sfeer van geborgenheid en veiligheid kan plaatsvinden.

 

Welke toegevoegde waarde heeft het Freinetonderwijs op het niveau van de kleuterklas?

Het is inderdaad zo dat de traditionele kleutermethodiek ook speels is en sterk vertrekt vanuit de kinderen zelf. Bovendien gaan steeds meer kleuterklassen ervaringsgericht werken, waardoor de gelijkenis met onze manier van werken in de kleuterklas groter wordt. Dit is een positieve evolutie. Toch geeft het een aantal voordelen wanneer kinderen al vanaf de kleuterklas deel uitmaken van onze school. Zo wordt bijvoorbeeld de kloof tussen kleuter- en lager onderwijs overbrugd doordat een heel aantal Freinettechnieken de kleuters al wordt aangeleerd. Het werken met een groeilijn kan zo ook doorgetrokken worden van de eerste kleuterklas tot en met het 6de leerjaar. Zo kiezen kleuters immers al hun projecten, werken ze actief mee in de schoolraad, in de klassenraad, krijgen ze inspraak, zijn er vrije werktijden, wordt de zelfstandigheid bevorderd,… Samen met de ouders wordt er dus reeds bij de kleuters ingespeeld op hun leergierigheid. Kortom, ook in de kleuterklas worden de kinderen au sérieux genomen.